Inclusieve economie
Werken aan een inclusieve arbeidsmarkt
Afkicken van de verzorgingsstaat
Als werkgevers, werknemers, bestuurders en hun ambtenaren collectief de weg kwijt zijn geraakt in de, overigens veelal goedbedoelde, vangnetten, subsidies, task forces, actieplannen en steunmaatregelen. Als we zo met ons allen verslaafd zijn geraakt aan de zegeningen van de verzorgingsstaat, wat moeten we dan doen om gezamenlijk af te kicken?
Wat is er aan de hand?
We betalen mensen om thuis te wachten op werk; van WIA tot Wajong, van Wwb tot de Wet werken naar vermogen. Daar gaan elk jaar miljarden in om, in een stad als Rotterdam 1,2 miljard euro.
Binnen zes maanden praten mensen zonder werk alleen nog met hun hulpverlener - of ze hebben hun draai gevonden in de sociaal-economische onderwereld. Mensen zonder werk, wit of zwart, voelen zich ziek en doen een beroep op de zorg die de BV Nederland met een groot hart biedt. Ruim 10% van de zorg is voor kwalen die direct te maken hebben met de inactiviteit van mensen. Ze werken niet.
Dat is ruim 10% van 86 miljard euro per jaar. En elk jaar stijgt dat cijfer.
Aad van Nes, Arbeidsmarktmeester in Rotterdam: “Als we mensen die nu niet werken en aan één of meer infusen van onze verzorgingsstaat aan het verpieteren zijn - als we die mensen alleen maar het gevoel zouden geven dat ze werken, dat ze meedoen en een bijdrage leveren, dan besparen we in de BV Nederland elk jaar miljarden euro’s aan zorgkosten.”
Veel mensen zitten thuis omdat werkgevers op de kleintjes letten. Mensen van wie om wat voor reden dan ook de productiecapaciteit onder een bepaalde grens zakt, gaan eruit. Of komen er niet in.
Niet efficiënt. Te duur, zeker voor ‘eenvoudig’ werk. Uitbesteden is het devies. Aan landen waar de lonen laag zijn. De vele problemen van ‘goedkoop’ uitbesteden nemen bedrijven voor lief, zolang ze de indruk hebben – of kunnen wekken - dat de baten hoger zijn dan de kosten. En cijfers liegen niet.
Dan zijn er de jongeren die onze ROC’s bevolken. Tweederde vindt zijn weg, 30% verdwijnt van school zonder een startkwalificatie. Onze MBO onderwijsfabrieken (net als het HBO ‘efficiënt’ gemaakt door schaalvergroting, inverdieneffecten, shared services en andere heilige koeien in managementland) zijn niet meer in staat de individuele intrinsieke motivatie van hun leerlingen te bepalen, laat staan verder te ontwikkelen. Jonge mensen halen zonder passie een diploma - en dropouts hebben niets meer te verliezen. Intussen zoeken werkgevers hun heil elders, bijvoorbeeld in andere EU-landen, in de wetenschap dat over een paar jaar de bom ontploft: babyboomers verlaten massaal hun bedrijf.
Wat gaan we veranderen? En hoe doen we dat?
Aad van Nes: “We betalen mensen voor het werk dat ze doen terwijl ze op werk wachten.
We leiden jongeren op met en in de bedrijven waar ze zullen werken. En we halen werk terug uit lage lonen landen. Ja, dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Maar dat is dus nou net geen reden het niet te doen!”
Noem het een inclusieve arbeidsmarkt of economie, een betere samenleving, waarom niet.
De belangrijkste reden dat werkgevers, werknemers, werkzoekenden, scholen en bestuurders dit gaan doen is dat het geld oplevert, nu en in de toekomst. Met minder geld kunnen we meer mensen aan het werk hebben en zijn we miljarden minder kwijt aan gezondheidszorg. Dat is geen tovenarij, maar het resultaat van koel rekenwerk - en van een compleet mensbeeld.
In drie woorden: Human Being Management.
Want daar begint het: bij het beeld dat we van mensen hebben. Hardnekkig restant van een manier van denken, produceren en werken die al heel lang de onze niet meer is – alleen kunnen we er zo moeilijk mee stoppen. Met het inzicht dat mensen meer zijn dan hun netto productiviteit kunnen werkgevers geld verdienen. De gedachte is simpel: het geld dat we nu mensen betalen om thuis te zitten – en waarmee we hen feitelijk buitensluiten, investeren we in de ‘inclusieve economie’, in mensen om, terwijl ze wachten op werk, te laten werken en een vak te leren of bij- en om te scholen.
Het grote inverdieneffect zit in de dramatische vermindering van uitgaven voor zorg.
Een dag niet gewerkt, is een dag niet geleefd.
En werkgevers kunnen doen waar ze goed in zijn: een rationele keuze maken voor de beste manier om met het voorhanden menselijk kapitaal hun bedrijfs- en maatschappelijke doelstellingen te realiseren. Nooit meer zoeken naar het schaap met de vijf poten, die alleskunner van 23 met minimaal 10 jaar werkervaring!
Human Being Management betekent dat werkgevers naast de arbeidsproductiviteit van werknemers, ook hun ontwikkeling van vaardigheden en hun intrinsieke motivatie waarderen. Boter bij de vis: de overheid steekt een handje toe, door het geld dat nu naar onderwijsinstellingen gaat om schooluitval te bestrijden, te investeren in nieuwe en bestaande werknemers van wie de arbeidsproductiviteit ondermaats is. In de ‘oude wereld’ (anno 2011, dat wel) is dat reden om mensen te ontslaan of niet aan te nemen. In de inclusieve economie zullen ondernemende werkgevers juist investeren in het meesterschap van hun bestaande en hun nieuwe werknemers. Meesterschap, dat is de optelsom van de intrinsieke motivatie en de vaardigheden of skills van werknemers. En intrinsieke motivatie, dat is het zout der aarde, het verschil tussen aanwezig zijn en ertoe doen.
Gevolg: de schooluitval loopt terug naar 0%. Reken vooral uit wat dat bespaart in elke regio!
Ondernemende werkgevers nemen mensen in dienst in ‘future jobs’, banen dus die over een half jaar, over een jaar of zelfs over drie jaar ontstaan. Dat kunnen ze zo aflezen uit hun personeelslijsten:
de babyboomers verlaten de komende jaren in grote getale het schip.
Werknemers in ‘future jobs’ beginnen met een arbeidsproductiviteit van nul – het betaalde werk is er immers nog niet. Maar ze kosten ook niets: De Wet werken naar vermogen compenseert hun tijdelijke gebrek aan productiviteit. Door zo Meesterschap, de optelsom van intrinsieke motivatie en vaardigheden, te koppelen aan future jobs, zal de productiviteit langzaam toenemen –
van nul naar .. wat mogelijk is.
Anti-cyclisch: werken voordat er werk is
We noemen het ‘werkend wachten op werk’. Het sluit aan bij de wensen van bedrijven om flexibel in te kunnen spelen op conjunctuurschommelingen; tegelijkertijd biedt het zekerheid voor werknemers om hun werk te behouden. Hoe dan?
Per sector, regio of bijvoorbeeld bedrijventerrein richten bedrijven een gezamenlijk bedrijf op dat de pieken, zowel naar boven als naar beneden, kan opvangen. Gaat het goed, dan levert het bedrijf – laten we het een Werkend Wachten Op Werk-bedrijf (WWOW-bedrijf) noemen – (bij)geschoolde werknemers aan de ‘moederbedrijven’. Gaat het minder of zelfs slecht, dan neemt het WWOW-bedrijf (tijdelijk) overbodige werknemers over.
Let op: het WWOW-bedrijf is zelf een bedrijf, dat zich deels bedruipt met werk dat in de ‘oude wereld’ wordt uitbesteed aan lagelonenlanden. Dat hoeft niet meer: het kritische ‘klantspecifiek maken’ van producten kan het WWOW-bedrijf voor – laten we zeggen - € 6 per uur uitvoeren. Ja, dat is € 5 minder dan wat hier in West-Europa ‘marktconform’ is. en ja, het is nog altijd bijna € 6 duurder dan wat bedrijven kwijt zijn in lagelonenlanden. Maar met € 6 per uur is het voor bedrijven weer interessant dat belangrijke werk dicht bij de consumenten te doen. Aan de voordelen hangt dan plotseling een aantrekkelijk prijskaartje; nu al zijn er ondernemers in de Rotterdamse regio die dat in de gaten hebben.
Een WWOW-bedrijf wordt gefinancierd uit de Wet werken naar vermogen en de deeltijd WW.
En die € 6 per uur, die geven we minder uit aan WW-uitkeringen. Reken maar uit: het aantal mensen in dienst van het WWOW-bedrijf x 32 weken x 32 uur (arbeidstijdverkorting) x € 6.
En in die 8 uur die overschiet dankzij de arbeidstijdverkorting kun je de werknemers van het WWOW-bedrijf opleiden. Welke innovatieve school pakt die handschoen op?!
Deze verschillende (typen) WWOW-bedrijven worden gerund door ondernemers, zoals het hoort. Het is hun opdracht net zoveel werk in de markt te vinden als er mensen zijn om het uit te voeren.
